Wie zijn we?
Publicaties
Voedselallergie/intoleranties
 
 

Kruisallergieën en geassocieerde allergieën

Afdrukken E-mailadres

Kruisallergieën

Men vindt weinig literatuur over kruisallergieën en meer bepaald die tussen koemelkeiwitten en eiwitten van zoogdieren. Er kan een kruisallergie optreden tussen eiwitten van zoogdieren wanneer een persoon die allergisch is voor één van deze eiwitten een allergische reactie doet bij het consumeren van een homoloog of identiek eiwit met dezelfde structurele, functionele en biologische eigenschappen.

Er kan een kruisallergie optreden indien :
twee voedseleiwitten dezelfde aminozurensequentie delen (minstens deze die het epitoop bevat: conformationeel identieke B epitopen) ;
de driedimensionele structuur van een molecule haar doet gelijken op een andere, in haar vermogen om de specifieke antigenen te binden (Wal, J.M., 2002; Moneret-Vautrin, D.A. et al., 2006; Restani, P; et al., 1999).

Volgens Moneret-Vautrin verhoogt een sterk homologiegehalte van 70 % het risico op kruisreactie terwijl een gehalte van 30 % het vermindert (Moneret-Vautrin, D.A. et al., 2006).

Er is dikwijls een sterke homologie tussen de eiwitten van gewervelde dieren en dus een groter risico op kruisreactie.

Kruisreactie koemelk en kippenei?

Op basis van de aminozurensequenties en de drie tridimensionele structuren heeft α-lactalbumine een structuur die verwant is aan het lysozyme van het wit van ei van kippenei (Stenton, G.R. et al., 1998). Ingevolge de aanwezigheid van albumine van kip in eigeel werd door May et al. in 1997 een kruisallergie voor koemelk en voor kippeneieren beschreven. De plaats van het majeur antigeen van wit van ei zou zich nochtans bevinden op een regio waar het verschil van sequentie het meest belangrijk is; reden waarom er geen kruisreactie zou zijn volgens een artikel van 1997 van Paupe, zelfs indien de homologie tussen de α-lactalbumine en de lysozyme van het wit van ei 40 % bedraagt (Paupe, J;, 1997).

Een studie van Diéguez heeft zelfs duidelijk gesteld dat kinderen, lijdend aan IgE-gemedieerde koemelkeiwitallergie, patiënten zijn met risico voor ei-allergie. De SPT blijkt een bevredigend diagnostisch hulpmiddel te zijn om de reacties te voorzien bij een eerste blootstelling aan ei, bij patiënten met koemelkeiwitallergie (Diégez,M.C., et al., 2008).

Koemelk bevat een groot aantal eiwitten met een min of meer groot allergeen potentieel.

Dit is ook zo voor de eiwitten van rund. Een groot aantal van deze eiwitten kunnen betrokken zijn bij een kruisreactie :
tussen de eiwitten van vlees ;
tussen de eiwitten van melk van verschillende diersoorten;
tussen de eiwitten van vlees en van melk van zoogdieren.

Kruisallergie tussen koemelk en melk van andere zoogdieren

Er zijn zeker 20 melkeiwitten die allergeniciteit kunnen veroorzaken.

Deze kruisallergieën tussen melk van verschillende zoogdieren zijn voornamelijk te wijten aan het feit dat de eiwitten die ze bevatten dikwijls verwant zijn met elkaar. Zoals reeds aangegeven in een vorig hoofdstuk vormen voornamelijk α-caseïne, maar ook β- en γ-caseïne de voornaamste allergene eiwitten van melk en afgeleide producten. α-S1- en αS2-caseïnes van koeien, geiten en schapen hebben 87 tot 98% identieke aminozuren (58).

Volgens Spuergin zou de homologie tussen eiwit van geitenmelk en van schapenmelk 97 % bedragen, terwijl ze maar 85 % bedraagt voor de eiwitten van koemelk en schapenmelk en/of geitenmelk [58].

In 1999 hebben Restani en al. [59] de allergenensekwenties van de melkeiwitten van verschillende diersoorten geanalyseerd.
Koemelk vertoont 4 majeure banden = α- en β-caseïne, β-lactoglobuline en α-lactalbumine ;
Buffelmelk vertoont een gelijkaardige samenstelling als koemelk ;
Geiten- en schapenmelk bevatten een minder belangrijke caseïnefractie ;
Kamelenmelk vertoont totaal verschillende banden dan koemelk. Deze melk bevat een grote hoeveelheid caseïnes en bevat geen β-lactoglobuline ;
De samenstelling van koemelk is verschillend van die van menselijk moedermelk wegens haar belangrijke hoeveelheid lactoferrine en de afwezigheid van β-lactoglobuline.

Het gebruik van de immunoblotting-methode («immunotransfert») met de serums van zes kinderen met koemelkallergie heeft het mogelijk gemaakt de vorming vast te stellen van complexe IgE-antigenen met de melk van alle zoogdieren behalve dat van kamelen.

In deze studie verdroegen sommige kinderen met koemelkallergie geitenmelk. Bovendien waren de reacties van 3 van de 6 kinderen met koemelkallergie zwakker bij de inname van geitenmelk. De verklaring hiervoor zou kunnen te vinden zijn in de kleine hoeveelheid α-caseïnes in geitenmelk. Deze resultaten zijn echter niet betrouwbaar door het beperkte aantal stalen dat resultaten oplevert rond 50/50.

Andere auteurs hebben dezelfde kruisreacties bestudeerd tussen koemelk en schapenmelk en/of geitenmelk.

In Italië zijn er veel zuigelingenmelkvoedingen beschikbaar op basis van geitenmelk. Belloni-Businco heeft hierover een studie uitgevoerd. 26 kinderen van 5 maand tot 7 jaar met koemelkallergie die niet gesensibiliseerd waren voor geitenmelk, ondergingen allergologische testen (DBPCFC, SPT, IgE-dosering, CAP, SPS-PAGE & Immunoblotting). 24 van hen hebben positief gereageerd op de DBPCFC (waargenomen symptomen: urticaria, rinitis en/of astma, angio-œdeem, braken). Men zou kunnen veronderstellen dat deze reactie te wijten is aan de homologie tussen de caseïnestructuren van de verschillende melksoorten (Belloni-Businco, B. et al., 1999).

Een casestudie [61] beschrijft een anafylactische reactie na inname van geitenmelk bij een 4 maand oude Spaanse baby met koemelkallergie. De allergeniciteit werd aangetoond aan de hand van immunologische en klinische criteria.

Vermits studies aantonen dat een groot aantal kinderen lijden aan allergie voor geitenmelk hebben Businco et al. de reactie bestudeerd van 25 kinderen met koemelkallergie bij de inname van paardenmelk.
Deze kinderen, tussen 1 ½ en 6 jaar oud, ondergingen allergologische testen (SPT, DBPCOFC) met koemelk, paardenmelk en een placebo. Allen waren allergisch voor koemelk maar slechts 4 % voor paardenmelk.
Bij deze studie werd aangetoond dat de sequenties van aminozuren van sommige eiwitten van paardenmelk verschillen van de eiwitten in koemelk. Er werden 3 verschillende soorten α-lactalbumine ontdekt, aangeduid met A,B en C. De samenstelling van paardenmelk lijkt dus veel dichter aan te leunen bij die van menselijk moedermelk omwille van de inhoud aan eiwitten, de verhouding ervan en het hoog gehalte aan lactose.

Door al deze studies kan men vaststellen dat er kruisallergie bestaat tussen koemelk en geitenmelk en schapenmelk [59,62]. Sicherer schat haar prevalentie op 92 % (Deze kruisallergie werd vastgesteld bij 92 % van de 26 patiënten met koemelkeiwitallergie die deelgenomen hadden aan de studie).

Deze kruisallergieën tussen melk van verschillende zoogdieren zijn voornamelijk te wijten aan de dikwijls gelijkaardige eiwitten die ze bevatten.

Kruisallergie tussen koemelk en schapen-, rund- en/of varkensvlees

Men vindt weinig artikels over kruisallergie tussen koemelk en vlees van zoogdieren maar dan vooral van runderen maar ook van varkens en schapen.

Fiocchi A. et al. merken in een artikel [63] op dat in 50% van de gevallen, patiënten die allergisch zijn voor rundvlees het ook zijn voor schapenvlees. Anderzijds merkt Sicherer [27] op dat 70 % van de patiënten die allergisch zijn voor varkensvlees ook gevoelig zijn voor rundvlees en 58 % ook voor koemelk.

Mamikoglu [64] voerde  een studie uit op 19 patiënten, tussen 2 en 75 jaar oud en allergisch voor ten minste één voedselallergeen. Het doel was de kruisreactiviteit te bepalen tussen melk, rund- en varkensvlees.
De graad van overeenkomst tussen de structuren van de albumines van de verschillende dieren laat vermoeden dat de patiënten die gesensibiliseerd zijn door één soort meer kans hebben om te reageren op vlees van vele andere dieren.
16 van deze patiënten waren allergisch voor melk. 14 onder hen waren ook allergisch voor antigenen van varkens en runderen. 16 van deze patiënten waren allergisch voor melk; 14 van hen waren het ook voor de antigenen van varken en rund. 16 patiënten waren allergisch voor rund en 13 van die patiënten waren het ook voor antigenen van varken.

Volgens de resultaten van deze studie is een patiënt die allergisch is voor melk gewoonlijk ook allergisch voor rundvlees. Bovendien vertonen de allergenen van het rund gewoonlijk een kruisreactie met de allergenen van het varken.

De correlatie tussen koemelk en rundvlees en ook in mindere mate tussen koemelk en varkensvlees is volgens deze studie zeer sterk en significant.

In hun artikel “clinical reactivity to beef in children allergic to cow’s milk”, betwisten Werfel et al het feit dat een grotere prevalentie van allergie voor rundvlees zou moeten verwacht worden [65] bij kinderen die allergisch zijn voor melk [65]. Deze twee voedingsmiddelen bevatten inderdaad BSA, BGG en andere eiwitten in belangrijke hoeveelheden. Zij zouden dit allergeen effect kunnen hebben bij sommige personen en dus een kruisallergie kunnen uitlokken. In deze studie werden 8 op 11 kinderen die reageerden op rundvlees door de Double Blind Placebo Control Food Challenge gediagnosticeerd als zijnde ook allergisch voor melk [66,67]. In de studie van Martelli et al. (2002) hadden 92 % van de 26 bestudeerde kinderen met allergie voor rund ook koemelkallergie (Martelli, et al., 2002).

Anderzijds hebben Bogdanovic et al. vastgesteld dat patiënten, gesensibiliseerd voor rundvlees en varkensvlees en/of voor koemelk, aanleg hebben om het ook te zijn voor gelatine van het varken en voor gelatine van het rund (Bogdanovic, J. et al., 2009).

Naast deze reacties heeft men ook een groot aantal gevallen vastgesteld van associatie van koemelkallergie met allergie voor sojamelk.

Geassocieerde allergieën: koemelk en soja

Enkele tientallen jaren geleden werd soja beschouwd als een ideaal vervangingsmiddel omwille van zijn zogenaamde zwakke allergeniciteit. Tegenwoordig bewijzen sommige studies het tegendeel [36,59,69]. Bovendien zou er een zeker associatie bestaan tussen koemelkeiwitallergie en allergie voor soja. Er bestaan maar weinig studies over dit onderwerp maar men mag ze niet over het hoofd zien.

Bij een Franse studie van Rancé et al. heeft men de anti-soja IgE’s gedoseerd bij 35 kinderen met koemelkeiwitallergie [37]. De huidpriktesten voor soja, uitgevoerd op het ogenblik van de diagnose van koemelkeiwitallergie, waren bij alle personen negatief. Bij het achteraf doseren van soja specifieke IgE’s, waren 8 % van de kinderen na 5 jaar nog steeds allergisch voor koemelkeiwitten (nl. 25 % van het aantal bij de start). Het was echter niet mogelijk de eerdere sensibilisatie voor soja-eiwitten te preciseren.

Ook in Korea werd een studie [69] uitgevoerd bij 1 663 kinderen en adolescenten die leden aan atopische dermatitis, urticaria, enteropathisch syndroom, astma of allergische rhinitis, over de prevalentie van overgevoeligheid voor soja-eiwitten bij kinderen die gevoelig waren voor koemelkeiwitten. De prevalentie van voedselallergieën voor verschillende allergenen hing gedeeltelijk af van de regionale verschillen in de eetgewoonten tijdens de kinderjaren.

Deze studie had twee objectieven :
De prevalentie bestuderen van de sensibilisatie voor soja-eiwitten bij atopische kinderen die gesensibiliseerd waren voor koemelkeiwitten;
Prevalentie bestuderen van de niet IgE-gemedieerde geassocieerde  overgevoeligheid voor soja-eiwitten bij kinderen met koemelkeiwitallergie.

Men stelde vast dat op 21 kinderen met koemelkeiwitallergie    (allergie bevestigd door een overtuigende klinische geschiedenis en door het verdwijnen van de symptomen na eliminatie uit de voeding), 9 waren het ook voor soja-eiwitten en 12 niet.

Het is belangrijk te weten dat op 224 personen, gesensibiliseerd voor koemelkeiwitten (16,4 % van het totaal), er ook 41 gesensibiliseerd waren voor soja-eiwitten (op een totaal van 74 kinderen, gesensibiliseerd voor soja, van de 1 363 die bestudeerd waren).

In 2002 werd een van de soja-eiwitten met een moleculair gewicht van 30 kDa    geïdentificeerd als een molecule die een kruisreactie kan uitlokken maar geen geassocieerde reactie met de caseïnes van koemelk [36].

Al deze onderzoeksresultaten suggereren dat men rekening moet houden met een geassocieerde reactie of zelfs met een kruisreactie, als patiënten met koemelkeiwitallergie behandeld worden met sojaderivaten en dat het dus beter is deze laatsten te vermijden.

Dit is des te belangrijker omdat de frequentie van deze allergie wereldwijd in opmars blijkt te zijn.