Wie zijn we?
Publicaties
Voedselallergie/intoleranties
 
 

Prevalentie

Afdrukken E-mailadres

Prevalentie van koemelkeiwitallergie

Inleiding

Wanneer men de rapporten van de FDA en de Europese commissie bekijkt [42] in verband met voedselallergie treft men weinig recente studies aan over de prevalentie van voedselallergie.
Gezien het groot aantal factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van deze allergie kan men veronderstellen dat de cijfers in verband met incidentie constant in stijgende lijn gaan. Nochtans kan men ook vaststellen dat de bevolking dikwijls een voedselallergie ziet daar waar het soms gaat om intolerantie, sensibilisatie of een ander minder duidelijk verschijnsel. Een artikel van Kirsten Beyer[43] uit 2005 stipt aan dat 20 % van de mensen een veelheid van reacties beschrijft die verband zouden kunnen houden met de inname van voedingsmiddelen.

Situatie in enkele landen

De gegevens over de frequentie van allergieën verschillen heel sterk van de ene studie tot de andere. Verschillende variabelen spelen hierbij een rol :
geografische oorsprong van een bevolking ;
voedingsgewoonten van de bevolking ;
genetische aanleg van de personen op wie diagnosetests zijn uitgevoerd ;
gemiddelde leeftijd van de bestudeerde bevolking ;
methodologie (vragenlijst,…) en/of toegepaste diagnosetests ;
gebruikte diagnosecriteria.

Tabel 4 :
Inventarisering van de verschillende studies die handelen over prevalentie van koemelkeiwitallergie

Behalve deze artikels werden nog twee literatuuroverzichten gevonden : de eerste betreffende incidentie, de tweede in verband met prevalentie.

De eerste, gevonden op Pubmed tussen 1067 en 2001, bevat 229 artikels over koemelkeiwitallergie. Dit overzicht toont aan dat de incidentie van koemelkeiwitallergie gedurende de eerste levensjaren, gemeten bij verschillende studies tussen 1973 en 1993, varieert tussen 1,8 en 7,5 %, afhankelijk van de diagnostische criteria en de studiemethode. De auteur besluit uit dit overzicht dat de incidentie van koemelkeiwitallergie bij jonge kinderen ongeveer 2 tot 3 % bedraagt in de ontwikkelde landen (Host, A., 2002).

Het tweede [50] verwijst naar de artikels over prevalentie van voedselallergieën in MEDLINE en EMBASE, sinds 1990.

Men kan vaststellen dat, naargelang de 5 gebruikte diagnosemethoden, de prevalentie van koemelk varieert :
Self-reported food hypersensitivity: de variatie van de prevalentie voor iedere studie ging van 1,2 tot 17 % ;
SPT of dosering van de IgE’s: de spreiding van de prevalentie bedroeg 0 tot 2 % ;
Orale challenge : er was een heterogeniteit tussen de studies, gebaseerd of op de DBPCFC of op de chalenge voor melk. De prevalentie voor melk varieerde van 0 tot 3 %;
SPT en dosering van IgE’s: de prevalentie van de sensibilisatie voor IgE’s varieerde van 2 tot 9 %. De equivalente cijfers voor SPT lagen tussen 0,3 en 2,5 % voor melk.

Volgens het National Institute of Allergy and Infectious Diseases situeert zich de prevalentie van koemelkeiwitallergie tussen 1,9 en 3,2 % (S.N., 2009).

Volgens een Engelse studie van een cohort kinderen van 1 tot 3 jaar oud, tussen 2001 en 2002, hadden 5 tot 6 % van deze kinderen een voedselovergevoeligheid. De resultaten waren bekomen na een grondige studie van de klinische voorgeschiedenis en orale provocatietesten. De 3 meest verantwoordelijke voedingsmiddelen waren melk, eieren en pinda’s (Venter, C. et al., 2008).

Volgens de NHDS-enquête (National Hospital Discharge Survey) uitgevoerd in 2007 door de NCHS (National Center for Health Statistics), leden 3 miljoen Amerikaanse kinderen (3,9 %) aan een voedselallergie (zonder nadere details) (Branum, A.M. and Lukacs, S.L., 2008).

Men stelt vast dat, behalve de mensen die een klinische en biologische diagnose voor allergie hebben, er een groot aantal personen is met symptomen die gelijken op allergie, die van zichzelf zeggen dat ze allergisch zijn zonder bevestiging van huidtesten of biologische testen.

Autoperceptie in cijfers

Sommige onderzoeken suggereren dat het publiek overtuigd is dat voedselallergie veel meer voorkomt dan wat blijkt uit de prevalentiegegevens die we hierna bespreken.

Er werd in 1994 een vragenlijst voor voedselallergie verstuurd naar 15 000 Engelse gezinnen (~ 20 000 personen). 47 % hebben geantwoord, 20 % van de 47 % rapporteerden een voedselallergie. Op 93 personen die een DBPCFC ondergingen reageerden er 18 (19 %) positief (Young, E. et al., 1994).

Zo werd er eveneens een studie [52,53] uitgevoerd om te peilen naar de mening van het Amerikaanse publiek over voedselallergie. Hiervoor werd een brede en demografische goed uitgebalanceerde populatie ondervraagd (7500 gezinnen).
Afhankelijk van de data van de studie (1989,1992,1993) hebben respectievelijk 16,2; 16,6; 13,9 % gerapporteerd dat er minstens een individu in het gezin een voedselallergie vertoonde. In de studie van 1989 werd melk voor 29,3 % verantwoordelijk gesteld voor de voedselallergie. In 1993 was dat 30,7 %. Het waren vooral vrouwen die in deze studie rapporteerden dat ze allergisch waren voor melk.

Een studie in Oslo [54] over de waarde van de perceptie van ouders in verband met de allergie van hun jonge kinderen (twee en een half jaar oud) geeft een beeld van de prevalentie van koemelkeiwitallergie.

2721 families namen deel aan het onderzoek. De kinderen werden in drie groepen ingedeeld :
De kinderen waarvan de ouders een adverse reactie tegen melk opgemerkt hadden ;
De kinderen waarvan de ouders geen reactie tegen melk opgemerkt hadden maar wel tegen andere voedingsmiddelen: deze groep interesseert ons niet in de problematiek die ons hier bezighoudt
De kinderen waarvan de ouders geen enkele reactie hebben opgemerkt maar waarvan chronische reacties werden gerapporteerd.

De eerste bestudeerde groep bestond uit kinderen waarvan de ouders een reactie tegen melk hebben opgemerkt. De ouders hadden een vragenlijst ingevuld op 12, 18 en 24 maanden. Ze rapporteerden een adverse reactie voor melk bij 98 kinderen op de leeftijd van twee en half jaar.

Van de 90 families waaraan gevraagd was om deel te nemen hebben 60% [55] de vragenlijst ingevuld.

Op de 54 onderzochte kinderen :
Werd bij 2 kinderen de allergie bevestigd door IgE-dosering, bij 2 andere door open provocatietest en bij 7 door DBPCFC ;
In de derde groep werd maar bij één kind koemelkallergie vastgesteld met de DBPCFC.

Een studie uitgevoerd in Turkije in 2006 toonde een groot verschil tussen de cijfers die door de ouders gerapporteerd werden en de bevestigde diagnoses van IgE-gemedieerde voedselallergieën, bij een populatie kinderen van 6 tot 9 jaar oud. De ouders en/of de kinderen rapporteerden via een vragenlijst een prevalentie van 5,7 % (156 op 2 739 kinderen), tegenover een prevalentie van voedselallergie, bevestigd door SPT en vervolgens door DBPCFC, van 0,80 % (22 op 2 739)! In dit percentage kwam koemelkeiwitallergie op de tweede plaats, met een fractie van 18, 1 % van de 22 personen (Orhan, F et al., 2009).

Een Columbiaanse ploeg publiceerde in 2008 een studie over de auto-perceptie van voedselallergieën, in Cartagena. Van de gerandomiseerde selectie van 3 099 personen (van 1 tot 81 jaar oud) heeft 14,9 % (461) gemeld allergisch te zijn voor één of meer voedingsmiddelen. Het onderzoek wees uit dat 44 personen symptomen gerapporteerd hadden van allergie voor melk (1,4 % van het staal) (Marrugo, J. et al., 2008).

Een Finse studie gepubliceerd in 2009 behandelt de prevalentie van voedselovergevoeligheid die door de ouders, van kinderen van 1 tot 4 jaar oud, werd waargenomen en van voedselallergieën die gediagnosticeerd waren, in de provincie South Karelia, in Finland. De studie ging over alle kinderen die behoorden tot de leeftijdsgroep van 1 tot 4 jaar, in 2005 (4 851 personen). De prevalentie werd gemeten aan de hand van vragenlijsten die geadresseerd waren aan de ouders, korte tijd voor het jaarlijks medisch onderzoek; 70 % van de ouders hebben geantwoord. De prevalentie van gediagnosticeerde voedselallergie bedroeg 9 %, ze was hoger bij de jongens dan bij de meisjes en lager bij de kinderen van 1 jaar dan bij de anderen. De prevalentie van gediagnosticeerde koemelkeiwitallergie en van overgevoeligheid voor melk, waargenomen door de ouders, bedroeg 12,8 % (respectievelijk 6,4 en 6,4 %) (Pyrhonen, K.et al., 2009).

In functie van het type reactie blijken deze allergieën nog belangrijker te zijn bij jonge kinderen en hun frequentie vermindert bij volwassen personen.

De oorzaken van koemelkeiwitallergie zijn dezelfde als die van andere voedselallergieën en kunnen teruggevonden worden in het algemeen dossier over voedselallergieën.

Zoals de cijfers van allergie voor koemelkeiwitten blijken die van lactose-intolerantie eveneens te verhogen in de loop der jaren.