Wie zijn we?
Publicaties
Voedselallergie/intoleranties
 
 

Prevalentie van ei-allergie

PDF Afdrukken E-mailadres

De prevalentiewaarden van ei-allergie vertonen een grote verscheidenheid. Deze schommelingen zouden te wijten zijn aan het concept of de methode van de studie, of ook nog aan verschillen tussen bevolkingsgroepen (Rona, R. et al., 2007).

Algemeen mag men aannemen dat in Europa de prevalentie van alle voedselallergieën rond de 4,7 % bedraagt bij kinderen en rond de 3,2 % bij volwassenen.

Men merkt toch op dat ei-allergenen het meest betrokken zijn bij de allergische reacties die bij kinderen worden waargenomen. Ei-allergie treft 1 à 2 % van de kinderen in de voorschoolse periode (Allen, C.W. et al., 2007; Kemp, A., 2007) en neemt af met de leeftijd (Moneret-Vautrin, D.A. et al., 2006).

Buiten Europa

Verenigde Staten

Nowak-Wegrzyn et al. hebben een onderzoek gedaan via de telefoon naar de frequentie, de symptomen, de behandelingen en de afloop van de reacties van voedselallergieën bij schoolgaande kinderen (het testpanel was samengesteld uit 132 kinderen, tussen 3 en 19 jaar oud). Men onderzocht eveneens de mechanismen die in de scholen waren opgezet om deze reacties te voorkomen en te behandelen. De ouders rapporteerden in 58 % van de gevallen dat de kinderen één of meer allergische reacties hadden gekregen in de loop van de twee laatste jaren. In 18 % van de gevallen hadden één of meer reacties plaatsgehad in de school. Bij de 41 waargenomen reacties waren er 34 te wijten aan voedingsmiddelen waarvan 6 reacties veroorzaakt door ei (18 %) (Nowak-Wegrzyn, A. et al., 2001).

Australië

In oktober 2007 deden Allen et al. een onderzoek via het internet (alhoewel de steekproef foutief was samengesteld, vermits men schat dat 36 % van de Australiërs thuis niet over een internetverbinding beschikt) om de prevalentie te bepalen van voedselallergieën die door de Australische gezinnen werden geobserveerd. Van een panel van 8 385 personen hebben er 1 386 geantwoord. 29,3 % rapporteerden dat ten minste één lid van het gezin een voedselallergie meende te hebben (voor ei: 3,4 % van de bevraagde gezinnen en 11,6 % van de gezinnen die een voedselallergie hadden vastgesteld). 61 % van hen hebben ten minste één allergie gesignaleerd die door een arts was vastgesteld en 13,8 % door een allergoloog. Bovendien hebben 3 % van de respondenten gemeld dat de allergische persoon een Epipen had (Allen, K.J. et al., 2009).

China

Tussen november 2006 en maart 2007 hebben Leung et al. een onderzoek gedaan, via een vragenlijst, in crèches en kindertuinen van Hong Kong (3 827 vragenlijsten werden ingevuld door de ouders van kinderen tussen de 2 en 7 jaar) met als doel de prevalentie, de klinische kenmerken en de risicofactoren te bepalen in verband met ongunstige reacties op voedingsmiddelen die door de ouders gerapporteerd werden. De prevalentie van die reacties, gesignaleerd door de ouders, bedroeg 8,1 % en de prevalentie van de gediagnosticeerde reacties (en ook gerapporteerd door de ouders) bedroeg 4,6 %. De verantwoordelijke voedingsmiddelen waren schaaldieren (15,8 %), eieren (9,1 %), pinda’s (8,1 %), rund (6,4 %), koemelk (5,7 %) en noten (5 %) (Leung, T.F. et al., 2009).

Turkije

Een transversale studie met als doel de prevalentie en de karakteristieken van IgE-gemedieerde voedselallergieën te bepalen bij stadskinderen tussen 6 en 9 jaar, werd uitgevoerd in de loop van 2006. Er werden 3 600 vragenlijsten uitgedeeld waarvan 78 % beantwoord werden. Vervolgens werden de kinderen uitgenodigd om, indien de priktesten positief waren, (na hun akkoord) huid- en orale provocatietesten te ondergaan, dubbel blind, placebo-gecontroleerd (DBPCFC = double-blind, placebo-controlled food challenge). De prevalentie van de IgE-gemedieerde voedselallergieën zoals ze door de ouders werd ingeschat bedroeg 5,7 %. Het sensibiliseringspercentage bedroeg 33,1 %. De prevalentie die bij de kinderen klinisch bevestigd werd via DBPCFC bedroeg slechts 0,8 % en de voedingsmiddelen die er het meest bij betrokken waren, waren rund (31,8 %), koemelk (18,1 %), cacao (18,1 %), kippenei (13,6 %) en kiwi (13,6 %) (Orhan, F. et al., 2009).

In Europa

Algemeen overzicht

Volgens een recente meta-analyse uitgevoerd in het kader van een Europese studie (EuroPrevall) hebben Rona et al. op basis van 51 artikels over voedselallergieën kunnen stellen dat de waargenomen prevalentie (op basis van eigen verklaring) van ei-allergie ligt tussen 0,2 en 7 % (grote verschillen tussen kinderen en volwassenen en tussen de studies onderling). Bij personen met symptomen en sensibilisatie (volgens de positieve huidtesten of het IgE-gehalte) varieerde de prevalentie tussen 0,5 en 2,5 %. 4 studies gebaseerd op DBPCFC of orale provocatie gaven een lagere prevalentie van ei-allergie tussen 0 en 1,7 % (Rona, R. et al., 2007).

België

In België werd in 2006 een cohortstudie uitgevoerd door het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola. De frequentie van ei-allergie, bij een populatie van 156 gevallen met voedselallergie en een gemiddelde leeftijd van 26 maanden, bedroeg 31 % (Mulier, S. et al., 2006).

Frankrijk

Volgens Moneret-Vautrin vertegenwoordigde ei-allergie 77,5 % van de waargenomen allergieën bij 147 allergische kinderen (208 waargenomen voedselallergieën) in de leeftijdsperiode van 0 tot 1 jaar, 69,6 % bij 359 kinderen van 1 tot 3 jaar (591 waargenomen voedselallergieën) en 24,3 % bij 468 kinderen van 3 tot 15 jaar (727 waargenomen voedselallergieën). Bij de groep volwassenen stelt men bij 202 waarnemingen in 5 gevallen het voortbestaan vast van de allergie, voornamelijk tussen 15 en 30 jaar. Daarna heeft de hardnekkigheid van de allergie de neiging te verminderen (Moneret-Vautrin, D.A., 2006 ; Moneret-Vautrin, D.A., 2008).

Italië

In 2007 hebben 25 601 volwassenen zich gewend tot gespecialiseerde centra om een diagnose van allergie te laten stellen (17 centra verspreid over heel Italië hebben aan de studie deelgenomen). Bij 12 739 werd atopie gediagnosticeerd waarvan er 1 079, met een gemiddelde leeftijd van 31 jaar en waaronder 64 % vrouwen, aan één of meer IgE-gemedieerde voedselallergieën te lijden hadden. Slechts 17 waren allergisch voor eieren (Asero, R. et al., 2009).

Spanje

Een transversale studie werd uitgevoerd in Spaanse ziekenhuizen (“Allergológica-2005”) met als doel de karakteristieken te beschrijven van patiënten met voedselallergie. De voedingsmiddelen die het meest verantwoordelijk waren voor de allergieën bij de gediagnosticeerde patiënten (369 gevallen bij 4 991 personen, of 7,4 %), waren verse vruchten (33,3 % van de gevallen), noten (26 %), schaaldieren (22 %), eieren (16 %), melk (13,9 %) en vis (9,8 %). Allergie voor eieren en melk kwam voornamelijk voor bij kinderen van minder dan 5 jaar. Ei veroorzaakte vooral symptomen van huidaandoeningen en spijsverteringsproblemen, maar ook anafylaxie. De diagnosemethoden varieerden: orale provocatietesten (open, enkel of dubbelblind), huidtesten, IgE-doseringen (totaal en/of specifiek), of nog eliminatiedieet met het oog op diagnose (Fernandez, R.M., 2009).

Noorwegen

Een studie van Eggesbø et al. had als doel de prevalentie van ongunstige reacties op eieren te bepalen. Zo hebben de ouders van 2 721 kinderen vragenlijsten ingevuld over de frequentie van eventuele reacties op een voedingsmiddel, op de leeftijd van 12, 18 en 24 maanden. De kinderen waarvan de ouders reacties op eieren rapporteerden op de leeftijd van 2 jaar werden geselecteerd voor bijkomende onderzoeken. Er werd een stapsgewijze procedure op punt gezet voor de diagnostiek. Ze omvatte testen om het dieet thuis toe te passen, huidpriktesten, open provocatietesten en DBPCFC. De gemiddelde leeftijd van de kinderen die aan de testen werden onderworpen was 2,5 jaar. Op deze manier werd een prevalentie vastgesteld van 1,6 %. Bijna alle reacties waren IgE-gemedieerd. In het algemeen werden 2/3 van de reacties die door de ouders werden waargenomen bevestigd ( Eggesbø, M. et al., 2001a).