Wie zijn we?
Publicaties
Voedselallergie/intoleranties
 
 

Prevalentie

PDF Afdrukken E-mailadres

Verhoogde frequentie van de allergieën : observaties

Over het algemeen komen allergieën meer voor bij rijken dan bij armen, meer in de steden dan op het platteland en meer in de Westerse landen dan in de Oosterse. [23] Zo is astma zeldzaam in Oost Europa en de prevalentie is hoog in de geïndustrialiseerde en Engelssprekende landen zoals Engeland, Australië, Ierland en Amerika. [31]

Mogelijke oorzaken van de stijging

De gezondheidsprofessionals zijn hoe langer hoe waakzamer voor alles wat voedselallergieën betreft. Vroeger werd de prevalentie onderschat; Dit leidt er ons toe om de recente hoge cijfers van geobserveerde prevalenties te relatieveren. [7]

Dit neemt niet weg dat sommige studies aantonen dat de verhoging van de prevalentie zou kunnen uitgelegd worden door andere factoren. [7,32,33]

Wanneer bij de geboorte van het kind de moeder ouder is dan 30 jaar, zou dat, een belangrijke risicofactor kunnen zijn (vooral wanneer het om eerste kind gaat). [32,33]

Volgens Langhendries tonen de epidemiologische studies van de laatste jaren aan dat infecties in de ruime zin, tijdens de jeugd, later het risico op de ontwikkeling van atopische symptomen kunnen verminderen. [34] De bacteriële kolonisatie bij de pasgeborene is van kapitaal belang voor de preventie van allergie. Er zijn verschillende vaststellingen gedaan : de wijze van bevallen zou een risicofactor zijn [32,35]: men zou de voorkeur moeten geven aan het bevallen via het geboortekanaal, want het is de beste manier om de meest adequate microbiële kolonisatie te bekomen (via de vaginale maar vooral de fecale flora van de moeder); [33] men moet exclusieve langdurige borstvoeding aanmoedigen die het mogelijk maakt om een intestinale flora te ontwikkelen die rijk is aan bifidobacteriën [34,36] en lactobacillen [37]; men moet antibioticatherapieën vermijden die niet gegrond zijn. Indien het toch noodzakelijk is moet dit zo kort mogelijk en met een smal-spectrum antibiotica. men moet tevens vroege diversificatie in de voeding vermijden. Het geleidelijk toevoegen van andere levensmiddelen dan melk moet langzaam en progressief gebeuren. [34]

De "hygiëne-theorie" kan een uitleg zijn voor de verhoging van allergische reacties in onze streken gezien de verbeterde hygiënisch omstandigheden in onze samenleving. Onze "aseptische" levenswijze leidt tot een evolutie van het immunitair systeem bij jonge kinderen naar een profiel van het type Th2 (lymfocyten) geassocieerd met IgE gemedieerde reacties, ten koste van het type Th1 (minder betrokken in de allergische reacties). [7,30,33]

Onze omgeving [30] is eveneens veranderd (isolering van woningen, climatisatie,…). De pollutie, van de auto in het bijzonder (ozon, dieselstofeeltjes) verergeren de allergische symptomen maar zijn rol als initiator van de sensibilisatie blijft onzeker. [38]

Vaccinaties zouden eveneens een risicofactor zijn voor allergie. [30,38]

We hebben het geluk te beschikken over een breed gamma van voedingsmiddelen die afkomstig zijn uit diverse horizonten, maar die ook allergenen kunnen zijn voor de consument (bvb. exotisch fruit). [7] De voedingsgewoonten zijn gewijzigd in de loop van de tijd, met een verminderde consumptie van omega-3 vetzuren [39], een verhoging van de inname van omega-6 en een reductie van antioxidanten. [38]

De consument is ook blootgesteld aan gemaskeerde allergenen, die voortkomen van industriële landbouwproducten. Deze producten zijn de meest complexe en bevatten soms allergenen waarvan men het bestaan niet vermoedde. (bvb. contaminanten). [7]

Algemene situatie

Men evalueert de prevalentie van voedselallergieën tussen 2 en 4 % in alle leeftijdsgroepen door elkaar. Ze zou verdubbeld zijn in 10 tot 15 jaar. Ze is ook hoger bij kinderen dan bij volwassenen. [40]

Alhoewel er heel wat publicaties bestaan over de prevalentie van voedselallergieën is het niet evident om uit de rapporten conclusies te trekken in verband met de coherentie van de schattingen en de kwaliteit van de informatie (verschillen in de objectieven, of de methodologie of ook nog verschillen tussen bevolkingsgroepen). Daarom verdient het aanbeveling dat studies worden uitgevoerd met gebruik van gestandaardiseerde methoden, zo mogelijk van provocatietesten.

Men schat de prevalentie van voedselallergie bij kinderen op 6 à 8 %. [42]

Venter en zijn medewerkers (UK) hebben een studie uitgevoerd bij 969 kinderen van 1 tot 3 jaar. Hun besluit was dat 5 à 6% van de kinderen lijden aan voedselallergie (cijfers gebaseerd op klinische geschiedenis en provocatietesten). De voornaamste betrokken voedingsmiddelen waren koemelk, kippenei en pinda’s. Op de leeftijd van 3 jaar had 3/4 van de kinderen zijn overgevoeligheid voor melk verloren en de helft voor kippenei. [43]

Autoperceptie in cijfers

In het algemeen heeft de bevolking de neiging de frequentie van voedselallergie te overschatten.

Een meta-analyse uitgevoerd door Rona et al wijst op een uitgesproken heterogeniteit voor de meeste schattingen van prevalentie voor wat betreft de waargenomen voedselovergevoeligheid: de schommelingen voor iedere schatting gingen van 1,2% tot 17% voor koemelk, van 2 tot 7% voor eieren, van 0 tot 2% voor pinda’s en vis, van 0 tot 10% voor schaaldieren en van 3 tot 35% voor alle voedingsmiddelen. [41]

Deze prevalenties zijn merkelijk hoger dan de schattingen die gebaseerd zijn op objectieve evaluaties met de daarbij horende huidpriktesten, IgE-doseringen of een provocatietest. [41]